Octrooihouder krijgt “wapperverbod”

  • De woorden “wapperen” en “wapperverbod” komen vaak voor met betrekking tot rechten van Intellectuele eigendom waarvoor een registratie vereist is (bijvoorbeeld het octrooirecht, merkrecht en – langdurige – modellenrecht). Met “wapperen” wordt meestal bedoeld dat een houder van zo’n registratie partijen steeds attent maakt op de registratie, hoewel het niet zo evident is dat die registraties ook nog rechtsgeldig zijn en/of dat er daadwerkelijk inbreuk wordt gemaakt en daarvoor ook geen procedure start. Maar velen worden toch afgeschrikt door een registratie en de dreiging van een procedure, waardoor de registratiehouder zijn doel bereikt: de ander staakt het gebruik. Als dat niet het geval is en de registratiehouder dan ook nog mededelingen doet aan anderen, bijvoorbeeld – potentiële – afnemers of concurrenten, kan dat wel eens vervelend worden. Het komt daarom nog wel eens voor dat een partij die wordt geconfronteerd met “wapperen” zelf naar de rechter stapt en een “wapperverbod” vordert.

     

    Vermeende inbreuk op octrooi

    Leolac is een partij die vooral polyurethaan schuim lamineert of coat en (haar moedermaatschappij) heeft voor een bepaalde methode een Europees octrooi (een bundel van nationale rechten) aangevraagd en verkregen. Onder meer BASF heeft daartegen oppositie ingesteld: zij heeft bezwaar tegen de verlening van dit octrooi, wat ertoe heeft geleid dat de zogenoemde octrooiclaims (waarin de methode uiteen wordt gezet) weliswaar zijn gewijzigd, maar wel in stand gelaten. Leolac schrijft na die oppositieprocedure BASF en een aantal van haar afnemers en weer hun afnemers dan ook aan met de vermelding dat “het octrooi (…) voor een belangrijk deel in stand is gehouden”. Voorts wordt gesteld dat Leolac bekend is dat BASF producten in haar assortiment voert “die vergelijkbare kenmerken lijken te hebben”, doch dat de prioriteit van Leolac niet ligt bij het voeren van inbreukprocedures en vorderen van schadevergoedingen, maar bij het tot stand brengen van een constructieve samenwerking. De tekst van de brief is ook in het vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juli 2012 opgenomen, dat u hier kunt inzien. BASF heeft op haar beurt Leolac gesommeerd zich te onthouden van mededelingen omtrent (vermeende) inbreuk op het octrooi omdat zij – kort gezegd- van mening is dat zij en haar afnemers daar geen inbreuk op maken. Zij stapt daarop ook naar de rechter om een zogenoemd “wapperverbod” te vorderen.

     

    Wapperverbod

    De Rechtbank overweegt allereerst dat als uitgangspunt bij de beoordeling of het versturen van sommatiebrieven (on)rechtmatig is, geldt dat het verzenden van een sommatiebrief door een rechthebbende van een intellectueel eigendomsrecht om inbreuk op dat recht te voorkomen of tegen te gaan in beginsel niet onrechtmatig is. Dat geldt ook als later blijkt dat die sommatie ten onrechte is verstuurd (als er dus wordt vastgesteld dat er helemaal geen inbreuk werd gemaakt) en de sommatie aan (potentiële) afnemers is gericht. Voornamelijk omdat Leolac ter zitting erkent dat zij voorafgaand aan die sommatiebrieven geen (degelijk) onderzoek heeft verricht naar de producten van de aangeschreven partijen en dat Leolac in ieder geval niet heeft gesteld dat een onderzoek onmogelijk of onredelijk bezwarend zou zijn geweest, beveelt de Rechtbank Leolac zich te onthouden van het doen van mededelingen inhoudende dat BASF of haar afnemers (mogelijk) inbreuk maken op het bedoelde octrooi, doch alleen voor het geval Leolac onvoldoende concrete, op onderzoek gebaseerde aanwijzingen heeft. Een “wapperverbod”! BASF probeerde met haar vordering nog wel een algemener wapperverbod te krijgen, maar zo ver wil de Rechtbank niet gaan: “Niet uit te sluiten valt immers dat in de toekomst mogelijk wel sprake kan zijn van voldoende verdenking van inbreuk”.

     

    Juridische tip

    Als u zou worden aangesproken wegens inbreuk op een Intellectueel eigendomsrecht is het natuurlijk verstandig om goed te beoordelen of dat ook daadwerkelijk zo is of daartoe een grote kans aanwezig is. Mocht dat niet zo zijn en de registratiehouder blijft u “lastig vallen” zonder daadwerkelijk actie te ondernemen om die vermeende inbreuk te laten toetsen, dan zou u dus het zelf vorderen van een “wapperverbod” kunnen overwegen. Maar ook als u houder van een registratie bent, denk er dan goed aan hoe u een en ander zou willen (en op grond van het bovenstaande moeten) insteken. Indien u daarover, vanuit beide kanten bezien, vragen hebt, staan wij u natuurlijk graag bij. Neem dan eens vrijblijvend contact op.

     

    Muriel van den Hazenkamp